De microscoop is een optisch hulpmiddel. Het apparaat maakt gebruik van lenzen om details van een object te zien die voor het menselijk oog onzichtbaar zijn. De mate van bruikbare (‘scherpe’) vergroting in een microscoop hangt samen met de golflengte van het aanwezige licht en de kwaliteit van de lenzen. Met een optische microscoop – zelfs één met perfecte lenzen en belichting – kunnen alleen objecten worden bestudeerd die groter zijn dan de helft van de golflengte van wit licht. Dat betekent in de praktijk dat de grens ligt bij een vergroting van ongeveer 1000x. Om kleinere deeltjes te onderscheiden is een hogere vergroting nodig, dus een belichting met een kortere golflengte. Dat kan in elektronenmicroscopen met elektromagnetische lenzen en speciale detectoren. De ‘belichting’ in deze microscopen bestaat uit energie-rijke elektronen.