Reageren? »

Snel gepenseelde figuren

In 1882 leerde Van Gogh George Breitner kennen. De twee jonge kunstenaars hadden op dat moment allebei contact met leden van de Haagse School. Van Gogh was in de leer bij Anton Mauve, Breitner had op het atelier van Willem Maris gewerkt en een bijdrage geleverd aan het Panorama (1880-81) van Hendrik Willem Mesdag. Na hun kennismaking tekenden Van Gogh en Breitner samen in Den Haag en omstreken. Ze deelden met name een interesse voor het leven in de arme stadswijken. In 1883 schilderde Breitner kort in Drenthe, waar Van Gogh en Anton van Rappard toen ook werkten. Van Gogh en Breitner zouden later ieder hun eigen weg gaan, de eerste in Frankrijk, de laatste in Amsterdam.

Detail van Buurtje in Den Haag

Olieverf op papier, op paneel geplakt, Rijksmuseum Amsterdam

G.H. Breitner, Buurtje in Den Haag, c. 1883

Een van de facetten die hun vroege werk verbindt, is het gebruik van een snelle penseelvoering, het losjes opbrengen van kleur. Hierin waren ze duidelijk leerlingen van hun Haagse meesters. In feite kende het gebruik van de losse toets, of tache zoals de Franse kunsttheorie het noemde, zijn oorsprong in het baanbrekende werk van de schilders van Barbizon.  Deze tache is prominent aanwezig op Haagse School schilderijen.

Juist de Barbizon schilders, in Frankrijk werkzaam tussen ongeveer 1830 en 1880, waren in collecties in Nederland goed vertegenwoordigd. Schilder en verzamelaar Mesdag wist tijdens de laatste twee decennia van de 19de eeuw een groot aantal Barbizon-landschappen van onder andere Daubigny en Rousseau bijeen te brengen. Hun werken geven een duidelijk beeld van Mesdags voorkeur voor snel opgezette, los geschilderde landschappen, waarin de tache steeds een centrale rol speelt.

.

Sommige van die landschappen waren onvoltooid gebleven, maar Mesdag en zijn vrienden waardeerden ze in ieder geval om hun schijnbaar spontane, losse karakter; om wat in Nederland toen “impressionisme”  werd genoemd.

Neem bijvoorbeeld de manier waarop Daubigny rond 1874-76 Normandische vissersvrouwen schilderde. Als je goed kijkt zijn het slechts een aantal snel opgebrachte toetsen. De anonieme houthakkers in Rousseau’s Mort des Innocents (1847) die bezig zijn een boom omver te trekken, bestaan louter uit enkele losse donkerbruine en witte toetsen. 

Olieverf op doek, Museum H.W. Mesdag Den Haag

Ch.- F. Daubigny, detail van Zonsondergang bij Villerville, 1874

Olieverf op doek, Museum H.W. Mesdag Den Haag

C.- F. Daubigny, detail van Zonsondergang bij Villerville, c. 1876

Olieverf op doek, Museum H.W. Mesdag Den Haag

Th. Rousseau, detail van Mort des Innocents, 1847

Olieverf op doek, Museum H.W. Mesdag Den Haag

H.W. Mesdag, detail van De aanleg van de nieuwe haven van Enkhuizen, 1886

.

Ook in het werk De aanleg van de nieuwe haven van Enkhuizen (1886) van Mesdag zelf, zijn figuren duidelijk met dit soort snelle toetsen opgezet. Nadere bestudering van figuren in het Haagse werk van Breitner laat een vergelijkbaar gebruik van snelle penseelvoering zien. De manier waarop Breitner twee vrouwen weergaf in het bijna abstracte schilderijtje van een steegje in Den Haag (c. 1883) vertoont overeenkomsten met het snelle schilderen dat de Barbizon en Haagse School schilders hadden geïntroduceerd: het nat-in-nat opbrengen van kleur en het vlotjes penselen van figuren.

 

Comments are closed.